dinsdag, december 04, 2007

Meer kan ik niet

33.

Ik stel me vaak voor (geen hang naar het plaatsvervangende, geen aanleg voor het groteske is mij vreemd) hoe ze daar staan, hoe ze daar zouden staan bij Gustave Courbet’s L’origine du monde. Zesenveertig x vijfenvijftig centimeter. Musée d’Orsay. De kracht van het bekende dat hen – o ongemakkelijkheid - toch nog weet te bevreemden. Van het blote uit het Blakkeveld, van het botte uit het land van de laarzen weten ze van zichzelf al alles. Van de dieren en het wonder. De calamiteiten. De grote reet… Zij die nu, zoveel jaren, amechtige jaren later, alleen nog de raid met de quad kunnen kennen, de modderberen, het groot alaam en de rust van de nanoen die ze nog altijd, tot in de rest van hun dagen, intact weten te houden, al weten ze beter, al zoveel langer beter. Ik stel het me graag voor. Ik zie ze staan in de musea, ik zie ze lopen door de steden van de wereld. Madrid. Parijs. Beiroet. Overal zie ik ze. Overal kan ik ze zien. Hoe ze zouden zijn... Ik zie ze bladeren, mijn mensen van het Laagland, op de blauwste van alle varkensmaandagen, sommigen kokhalzend, kleumend, de meesten als verplaatste personen, na november, friemelend aan de ivoren knopen van hun winterjassen, anderen – Darwin op de Beagle - bladerend in The Origin of species. Natte vissen aan de haak! Ik zie ze voor me. Zo voor me, in hun invasie naar de wereld, mijn mensen…

En meer, meer kan ik niet dan van hen te houden.

(Uit "Kop", een Varkensboek in wording – fragment 33)

Labels:

1 Comments:

At 8/12/07 1:39 p.m., Anonymous Ward. said...

Laat Beiroet (al is het dan Beirut) trouwens een prima muziek-tip wezen!

 

Een reactie plaatsen

<< Home